De Absolute Priority Rule (verkort aangeduid: APR) is één van de belangrijkste toetsstenen bij de homologatie van een WHOA-akkoord. Deze regel komt met name in beeld wanneer een akkoord wordt opgelegd aan één of meer tegenstemmende klassen (‘cross class cram down’).
De APR houdt in dat geen enkele klasse of aandeelhouder met een lagere rang mag delen in de reorganisatiewaarde:
De regel beschermt daarmee de rangorde van crediteuren en aandeelhouders zoals deze ook in faillissement geldt.
De WHOA laat weliswaar ruimte om van de APR af te wijken, maar deze ruimte is beperkt. Een afwijking is alleen toegestaan als:
Of en in hoeverre sprake is van het voldoen aan deze regel, dan wel een (gerechtvaardigde) uitzondering, hangt onder meer af van:
De APR kan dwingen tot het maken van strategische keuzes bij de inrichting van het akkoord. Voor de onderneming brengt dit met zich mee dat elke afwijking zorgvuldig moet worden gemotiveerd. Voor schuldeisers kan de APR daarentegen juist een belangrijk verweer vormen bij homologatie of al eerder een reden om tegen het voorgestelde akkoord te stemmen.
Bij Marxman adviseren we ook over de toepassing van de APR binnen de WHOA, maar ook over ‘cross class cram down’-situaties, waarderingsdiscussies en het verzoek homologatie.
Wilt u weten of een voorgesteld WHOA-akkoord voldoet aan de regels of hoe u zich als crediteur tegen een afwijking daarvan kunt verweren?
In een WHOA-traject is tijd vaak de meest schaarse factor. Crediteuren die beslag leggen, goederen opeisen of met een faillissementsaanvraag dreigen, kunnen het akkoord ondermijnen nog vóórdat het definitief is vormgegeven en voorgesteld. In dat geval kan een afkoelingsperiode het aangewezen instrument zijn. Zij biedt de onderneming die de WHOA doorloopt tijdelijke bescherming tegen verhaalsacties van crediteuren.
Een afkoelingsperiode wordt niet automatisch verleend. De schuldenaar (of herstructureringsdeskundige) kan hier, na het deponeren van de noodzakelijke startverklaring, toe verzoeken en zal daarbij tevens moeten aangeven of deze afkoelingsperiode jegens álle crediteuren zou moeten gelden (algemene afkoelingsperiode), dan wel tegen één of meerdere specifieke crediteuren zal moeten gelden (selectieve afkoelingsperiode).
Het verzoek wordt tijdens een zitting worden behandeld. Belanghebbenden dienen door de schuldenaar te worden uitgenodigd. Het is aan de crediteur om te besluiten of deze verschijnt tijdens de zitting en/of er (vooraf) een zienswijze met betrekking tot het verzoek wordt ingediend bij de rechtbank.
Omdat gedurende een afkoelingsperiode tijdelijk geen verhaal kan worden genomen op het vermogen van de schuldenaar, dient hier terughoudend mee omgegaan te worden: proportioneel en effectief. Dat zien we ook terug in de beperkte duur en verlengingsmogelijkheid (éénmalig, totale afkoelingsperiode maximaal 8 maanden), alsook in het feit dat de schuldenaar bij verzoek voldoende onderbouwd zal moeten aantonen dat invordering of een andere verhaalsactie dreigt.
Een verzoek om afkoelingsperiode vraagt daarom om een zorgvuldige besluitvorming en gedegen voorbereiding binnen het traject. De juiste afbakening vergroot de kans op toewijzing én daarmee op een succesvol akkoord.
Uitgaande van een situatie waarbij niet alle betrokken crediteuren hebben ingestemd met het akkoord, is de homologatie het beslissende moment binnen een WHOA-traject. Ook wanneer de vereiste meerderheden hebben ingestemd met het akkoord, kan de rechtbank homologatie weigeren op basis van de wettelijke afwijzingsgronden.
De WHOA maakt daarbij een belangrijk onderscheid tussen twee categorieën.
Deze gronden worden door de rechtbank uit eigen beweging getoetst. Een beroep van een crediteur is hiervoor niet vereist. Het gaat om fundamentele waarborgen van het WHOA-proces, zoals:
Als één of meerdere gronden zich voordoen, moet de rechtbank homologatie weigeren.
Op verzoek van één of meer stemgerechtigde crediteuren of aandeelhouders die zelf niet met het akkoord hebben ingestemd of die ten onrechte niet tot stemming zijn toegelaten, kan de rechtbank het verzoek tot homologatie afwijzen, indien blijkt dat deze crediteuren of aandeelhouders op basis van het akkoord slechts af zijn dan bij faillissement van de onderneming van schuldenaar.
Eveneens op verzoek van één of meer stemgerechtigde crediteuren of aandeelhouders die zelf niet met het akkoord hebben ingestemd en zijn ingedeeld in een klasse die niet met het akkoord heeft ingestemd of die ten onrechte niet tot de stemming zijn toegelaten en in een klasse die niet met het akkoord heeft ingestemd hadden moeten worden ingedeeld, wijst de rechtbank homologatie van het akkoord in bepaalde specifieke gevallen af.
Voorbeelden hiervan zijn:
Deze gronden veronderstellen een actieve proceshouding van crediteuren en aandeelhouders. Wie geen bezwaar maakt, kan zijn (bijzondere) positie verliezen.
Het onderscheid tussen ambtshalve en op te werpen afwijzingsgronden maakt de WHOA-procedure strategisch complex. Voor de schuldenaar betekent dit dat het akkoord zó moet worden ingericht dat het zowel de ambtshalve toets doorstaat als bestand is tegen mogelijke bezwaren door bepaalde crediteuren. Voor schuldeisers geldt dat tijdig en goed onderbouwd verweer cruciaal is.
Team H&I bestaat uit advocaten met specialistische kennis en ruime praktijkervaring met het voorbereiden van een gedegen akkoord, met bijzondere aandacht voor de afwijzingsgronden en hun strategische inzet.
De WHOA-procedure biedt verschillende instrumenten om een onderhands akkoord zorgvuldig en efficiënt voor te bereiden. Eén daarvan is het aspectenverzoek: een mogelijkheid om de rechtbank al vóór de homologatiefase te laten oordelen over specifieke onderdelen van het akkoord.
Met een aspectenverzoek kan de schuldenaar, maar ook een schuldeiser of aandeelhouder, de rechter verzoeken om zich uit te spreken over bijvoorbeeld:
Het grote voordeel van een aspectenverzoek is dat het (meer) rechtszekerheid creëert. Discussies die anders mogelijk pas bij homologatie zouden ontstaan — en tot afwijzing van het akkoord kunnen leiden — worden naar voren gehaald en beslecht. Bijkomend voordeel is dat er vanaf dat moment vermoedelijk ook geen tijd meer hoeft te worden besteed aan de betreffende onderdelen en bovendien dat het akkoord – desgewenst of noodzakelijk – in lijn met de uitkomsten kan worden aangepast of aangevuld.
Tegelijk vraagt een aspectenverzoek om een gedegen voorbereiding. Het verzoek moet voldoende concreet zijn en de aspecten moeten zorgvuldig worden geformuleerd. Ook de timing van een aspectenverzoek kan nauw luisteren: een (te) vroege inzet kan met zich meebrengen dat nog niet alle aspecten waarover onduidelijkheid of onzekerheid bestaat in beeld zijn en/of dat de aspecten nog onvoldoende duidelijk of formuleerbaar zijn. Met een late inzet blijft het voordeel van tussentijdse beoordeling beperkt en bovendien kan het zijn dat de behandeling van het verzoek of de uitkomsten niet meer kunnen worden afgewacht en dat de uitkomsten dus geen effect meer hebben op de inhoud van het akkoord en de haalbaarheid en/of homologatie daarvan.
Wilt u weten of een aspectenverzoek in uw WHOA-traject strategisch voordeel kan opleveren? Neem contact op met team H&I of lees verder op onze website.
Bij een besloten akkoordprocedure vindt geen publicatie in het Centraal Insolventieregister, het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en de Staatscourant plaats. Op deze manier kan het akkoord in relatieve rust worden voorbereid en tot stand komen. Betrokken schuldeisers en aandeelhouders worden vanzelfsprekend wel geïnformeerd.
Door de rechtbank worden verzoeken bovendien achter gesloten deuren behandeld. Publicatie van het vonnis vindt tot slot ‘geanonimiseerd’ plaats. Dat betekent dat bedrijfsnamen en namen van bestuurders worden verwijderd.
De besloten akkoordprocedure wordt niet erkend als internationale insolventieprocedure. In andere lidstaten wordt een gehomologeerd WHOA-akkoord dus niet erkend. Anders is dat bij een openbare akkoordprocedure.
Zodra de rechter betrokken wordt in het kader van de poging tot totstandbrenging van een akkoord, dient de keuze voor één van beide procedures in ieder geval gemaakt te zijn. Op de startverklaring kan bovendien worden aangevinkt of de schuldenaar kiest voor een openbare akkoordprocedure of een besloten akkoordprocedure, zodat dit vaak al het moment is waarop een keuze wordt gemaakt.
De WHOA biedt de mogelijkheid om een herstructureringsdeskundige te laten aanwijzen door de rechtbank. Deze functionaris speelt een centrale rol bij de voorbereiding en totstandkoming van een onderhands (WHOA) akkoord.
Een herstructureringsdeskundige kan worden aangesteld:
De benoeming komt met name in beeld als:
De rechtbank wijst het verzoek tot aanwijzing toe indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de schuldenaar met het betalen van de schulden niet zal kunnen voortgaan en dit verzoek door schuldenaar zelf is gedaan en dit verzoek bovendien wordt gesteund door een meerderheid van de crediteuren. Daarentegen zal een verzoek worden afgewezen indien de belangen van de gezamenlijke crediteuren niet zijn gediend met de aanwijzing.
De herstructureringsdeskundige is belast met:
Hoewel de schuldenaar formeel in controle (‘debtor in possession’) blijft, neemt de herstructureringsdeskundige de regie over het proces.
De herstructureringsdeskundige handelt onafhankelijk en onpartijdig. Dat versterkt het vertrouwen in het proces en vergroot de kans dat het akkoord wordt aangenomen en standhoudt bij homologatie. Tegelijk betekent dit dat de schuldenaar deels invloed uit handen geeft — een belangrijke strategische afweging binnen het traject.
De herstructureringsdeskundige kan:
Daar staat tegenover dat de benoeming kosten met zich brengt en de dynamiek van het traject wezenlijk verandert.
Bij Marxman zijn wij gespecialiseerd in herstructurering en insolventie. Ons advies kan zijn om een herstructureringsdeskundige te laten benoemen, als we inschatten dat dat een toegevoegde waarde binnen het traject heeft en denken mee over de afbakening van de rol.
De WHOA kent geen mogelijkheden tot hoger beroep. Een schuldenaar die zelf een akkoord heeft aangeboden en van wie het homologatieverzoek is afgewezen, mag bovendien drie jaar lang niet een nieuw akkoord laten homologeren door de rechtbank.
Nadien is het nog slechts mogelijk om de rechtbank te verzoeken om een herstructureringsdeskundige aan te wijzen. Uitsluitend deze herstructureringsdeskundige mag dan nog een akkoord aanbieden en de homologatie daarvan verzoeken.
WHOA staat voor Wet Homologatie Onderhands Akkoord. Dat betekent dat schuldenaren hun schuldeisers een onderhands akkoord voor kunnen leggen ter sanering van een deel van de schuldenlast.
Wanneer niet alle schuldeisers met het akkoord van de schuldenaar in kunnen stemmen, kan de rechter om homologatie van het akkoord worden verzocht. Als de rechter het akkoord homologeert, betekent dit als het ware dat het akkoord wordt goedgekeurd/bekrachtigd. Ook schuldeisers die niet hebben gestemd of tegen het akkoord hebben gestemd, kunnen zodoende alsnog aan het akkoord worden gebonden.
Een akkoord kan door de rechter worden gehomologeerd wanneer er zich geen afwijzingsgronden voordoen.
De WHOA stelt strikte eisen aan de informatievoorziening richting crediteuren en aandeelhouders. Die informatieverplichting is essentieel voor een zorgvuldige besluitvorming en vormt een belangrijke toetssteen bij de homologatie van het akkoord.
De schuldenaar moet zodanige informatie verstrekken dat stemgerechtigden zich een weloverwogen oordeel kunnen vormen over het akkoord en de gevolgen daarvan.
Concreet moet de schuldenaar onder meer inzicht geven in:
De informatie hoeft niet in één document te staan, maar moet wel consistent, toegankelijk en controleerbaar zijn. In de praktijk bestaat het informatiepakket vaak uit:
De rechter kijkt niet alleen naar de aanwezigheid van informatie, maar ook naar de kwaliteit en volledigheid daarvan alsook de toegankelijkheid voor betrokken crediteuren. Daarbij kan bovendien meespelen hoeveel moeite de onderneming heeft genomen in het bereiken van de crediteur om een reactie te verkrijgen.
Een gebrekkige informatievoorziening is een zelfstandige tevens ambtshalve afwijzingsgrond voor homologatie. Daarnaast vergroot onduidelijkheid de kans op verweer van crediteuren en vertraging van het traject of zelfs een tegenstem.
Door tijdig en volledig te informeren vergroot je dus direct de haalbaarheid van je akkoord. Ook ingeval van een verzoek tot homologatie zal dit bijdragen aan de beoordeling door de rechter.
De WHOA biedt een onderneming de mogelijkheid om haar schulden te herstructureren middels een (gedwongen) akkoord, zodat een faillissement hopelijk voorkomen kan worden en daarmee tegelijkertijd ondernemingswaarde behouden blijft. De toegang tot de WHOA wordt begrensd door het zogenoemde ingangscriterium.
Dat criterium houdt in dat de onderneming weliswaar verkeert in een toestand waarin redelijkerwijs te verwachten is dat zij insolvent zal raken ingeval niet tot een akkoord gekomen wordt, maar tegelijk moet zij nog haar lopende verplichtingen kunnen voldoen. Lukt dat laatste namelijk niet, dan is een surséance of uiteindelijk faillissement alsnog aangewezen. Anders dan bij faillissement of surséance is bij de WHOA geen sprake van een toets op actuele betalingsonmacht, maar gaat het uit van een prognose en daarmee toekomstperspectief (continuïteit van de onderneming).
Het ingangscriterium vergt een vooruitziende blik en een onderbouwde inschatting. Vanzelfsprekend is dat geen zekerheid, maar aan de hand van diverse documenten en informatie kan deze inschatting worden onderbouwd en overgebracht aan de crediteuren:
Die onderbouwing speelt niet alleen een rol bij de start van het WHOA-traject, maar ook bij andere (tussentijdse) verzoeken aan de WHOA-rechter, zoals:
Het ingangscriterium vereist een zorgvuldige bepaling. Start je te vroeg met het traject, dan is er mogelijk nog geen sprake van een redelijkerwijs te voorzien faillissement. Start je later, dan bestaat het risico dat er nog onvoldoende middelen zijn om de lopende verplichtingen bij te houden. Er dient in zekere zin een evenwicht gevonden te worden, welk verklaard kan worden en ingezet om de betrokken crediteuren te overtuigen van de noodzaak tot sanering en het accepteren van het akkoordvoorstel. Een en ander werkt in de praktijk vaak door in (gebrek aan) vertrouwen van crediteuren en/of twijfels over de waarborging van een akkoord, met alle mogelijke consequenties.
Daarom is het ingangscriterium niet louter een formele drempel, maar tegelijk een ijkpunt en soms een scharnier tussen een onderhands akkoord en een WHOA-akkoord.
De WHOA schijft voor dat aan stemgerechtigde schuldeisers informatie wordt verstrekt over de waarde die naar verwachting gerealiseerd kan worden bij de vereffening van het vermogen van de schuldenaar in faillissement. Het betreft een theoretische uiteenzetting over wat het meest waarschijnlijk zal gebeuren in faillissement. Dat verschilt per onderneming.
Om te beginnen is nodig dat de activa getaxeerd worden. Daarnaast wordt er gekeken naar de vraag welke schuldeisers er zijn, of zij zekerheidsrechten hebben en of de Belastingdienst bijv. een preferente vordering heeft.
Ook is er aandacht voor de vraag of er in faillissement sprake zou kunnen zijn van een rechtmatigheidsclaim. Gekeken wordt dan of de onderneming behoorlijk is bestuurd. De lat om tot een rechtmatigheidsclaim tegen een bestuurder te komen ligt hoog.
Tegenover de vraag welke opbrengsten er in faillissement zouden zijn, staan natuurlijk ook kosten. Daarbij valt te denken aan kosten om de activa te gelde te maken en het salaris van de curator.
Een schuldeiser kwalificeert in de WHOA als mkb-schuldeiser wanneer:
Als een schuldeiser kwalificeert als mkb-schuldeiser zal hem in een WHOA-akkoord in beginsel 20% op de vordering aangeboden moeten worden. Van het aanbod van 20% kan slechts worden afgeweken indien sprake is van zwaarwegende redenen. De rechtbank neemt niet snel aan dat sprake is van zwaarwegende redenen.
Wel is nog van belang dat de regel dat aan mkb-schuldeisers 20% moet worden aangeboden niet geldt voor:
Het ‘no creditor worse off-beginsel’ schrijft voor dat aan schuldeisers geen slechter voorstel gedaan mag worden dan zij in een theoretisch faillissement zouden ontvangen. Dit vormt een aanvullende afwijzingsgrond. Dat betekent dat wanneer een schuldeiser een beroep doet op het no creditor worse off-beginsel, de rechtbank het homologatieverzoek kan afwijzen.
Eén van de uitgangspunten van de WHOA is dat de schuldenaar zelf het akkoord voorbereidt. De observator heeft tot taak toezicht te houden op de totstandkoming van het akkoord. De observator heeft daarbij oog voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. De observator zal de totstandkoming van het akkoord monitoren, beoordelen en de rechtbank informeren.
De observator kan bij de totstandkoming van een akkoord op verschillende momenten worden aangewezen:
Wil de observator zijn taak goed kunnen uitvoeren, zal hij medewerking en inlichtingen moeten krijgen van de schuldenaar. Aan de observator moet toegang gegeven worden tot alle informatie die nodig is om tot een oordeel te kunnen komen over het ontwerp van het akkoord.
Andere belangrijke taak is bovendien dat de observator de rechtbank informeert over bepaalde beslissingen/verzoeken die aan de rechtbank zijn voorgelegd. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode en toewijzing van het homologatieverzoek.
In geval een schuldenaar kiest voor een openbare akkoordprocedure vindt er een publicatie plaats in het Centraal Insolventieregister, het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en de Staatscourant. Die publicatie vindt plaats na de eerste beslissing van de rechter. In sommige gevallen is die eerste beslissing pas het vonnis op het homologatieverzoek.
Belangrijk voordeel om te kiezen voor een openbare akkoordprocedure is de reden dat deze procedure en het eventuele positieve homologatievonnis in andere lidstaten van de Europese Unie (m.u.v. Denemarken) wordt erkend. De schuldenaar met buitenlandse schulden kan dus gebaad zijn bij een openbare akkoordprocedure. Denk daarbij niet alleen aan leveranciers, maar ook aan buitenlandse (One Stop Shop, ‘OSS’) btw-schulden.
In geval van de openbare akkoordprocedure geldt bovendien dat de Nederlandse rechter ook bevoegd kan zijn voor buitenlandse ondernemingen. Zo komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe, wanneer de Europese schuldenaar het centrum van de voornaamste belangen in Nederland heeft.
Zodra de rechter betrokken wordt in het kader van de poging tot totstandbrenging van een akkoord, dient de keuze voor één van beide procedures in ieder geval gemaakt te zijn. Op de startverklaring kan bovendien worden aangevinkt of de schuldenaar kiest voor een openbare akkoordprocedure of een besloten akkoordprocedure, zodat dit vaak al het moment is waarop een keuze wordt gemaakt.
Voor het voorkomen van verhaalsmaatregelen is meer nodig dan het deponeren van een startverklaring. Wil een schuldenaar voorkomen dat een schuldeiser gedurende de voorbereiding van een WHOA-akkoord verhaal kan nemen, dan zal hij de rechtbank moeten verzoeken om een afkoelingsperiode te gelasten.
Wanneer een schuldeiser de rechtbank verzoekt om het faillissement van de schuldenaar uit te spreken, geldt dat het indienen van een startverklaring of het aanvragen van een afkoelingsperiode geen gevolgen heeft voor het lopend faillissementsverzoek. Voor het verzoek tot faillietverklaring geldt dat nog steeds verweer gevoerd dient te worden.
Wanneer de rechter het verzoek tot aanstelling van een herstructureringsdeskundige toewijst en de rechtbank een afkoelingsperiode afkondigt, geldt wel dat een lopende faillissementsaanvraag wordt geschorst. De schorsing duurt zo lang als de afkoelingsperiode duurt.
De peildatum (ook wel: ‘fixatiedatum’) is een specifieke datum waarop de waarde en de omvang van de activa en passiva worden vastgesteld. Schulden die op dat moment openstaan, worden in beginsel in het WHOA-akkoord betrokken. De situatie wordt als het ware gefixeerd voor de uitgangspunten die de schuldenaar in het WHOA-akkoord meeneemt.
Schulden die na deze datum ontstaan vallen buiten het akkoord en worden als lopende verplichtingen voldaan. Bij het kiezen van de peildatum dient gekozen te worden voor een peildatum op basis van objectieve gronden. Bovendien dient bij nauwkeurig inzicht worden verschaft welke schuldeisers of aandeelhouders niet onder het akkoord vallen.
De rechtbank zal een duidelijke toelichting verlangen waarom bepaalde schuldeisers niet door het akkoord worden geraakt. Dit is belangrijk, omdat schuldeisers op basis hiervan kunnen vaststellen of er een gerechtvaardigde reden is voor een ongelijke behandeling van schuldeisers van gelijke rang.
Een WHOA-procedure start door het deponeren van een startverklaring bij de griffie van de betreffende rechtbank. Aan de hand van een voorgeschreven formulier, waarop bovendien door de schuldenaar wordt aangegeven of er gekozen wordt voor een besloten dan wel openbare procedure, geeft de schuldenaar hiermee formeel te kennen dat er een onderhands akkoord wordt voorbereid.
Hoewel de startverklaring op het eerste gezicht een formaliteit ijkt, heeft zij belangrijke juridische en strategische gevolgen.
Met de startverklaring:
De startverklaring wordt door de rechtbank geregistreerd (niet inhoudelijk getoetst). Ingeval van een openbare WHOA-procedure betreft, wordt deze verklaring bovendien gepubliceerd in het Centraal Insolventieregister.
Over het algemeen wordt de datum van deponering van de verklaring vermoed de (te hanteren) peildatum te zijn.
De verklaring is beknopt, maar moet uiteraard juridisch correct en volledig zijn.
Het moment van de startverklaring is strategisch belangrijk. Ten eerste omdat dit moment tevens vermoed wordt de peildatum te zijn, waarmee rekening gehouden dient te worden in het akkoord, en ten tweede omdat het deponeren van een startverklaring (en daarmee een formeel begin van de WHOA) effect kan hebben op betrokken crediteuren.
Bij Marxman zijn wij gespecialiseerd in herstructureringen. Wij adviseren ondernemers en begeleiden hen tijdens het doorlopen van het traject. Daarbij is het deponeren van een startverklaring een belangrijke stap, zowel in voortgang als naar inhoud.
Een schuldeiser (of aandeelhouder) is stemgerechtigd wanneer met het akkoord diens rechten worden gewijzigd. Dat betekent doorgaans dat crediteuren nog slechts een percentage van de vordering aangeboden krijgen, de looptijd van een lening wordt verlengd en/of het rentepercentage gewijzigd etc.
Voor schuldeisers wiens vordering niet worden geraakt, geldt dat zij niet stemmen.
Uiterlijk binnen zeven dagen na de stemming door de crediteuren moet er een stemverslag worden opgesteld. Dit is een verplicht onderdeel binnen de WHOA-procedure en speelt een centrale rol bij de homologatie van een akkoord.
Hieruit volgt immers hoe er is gestemd op het akkoord en daarmee of voldaan is aan de wettelijke vereisten. Zonder stemverslag kan de rechtbank dit niet toetsen en kan dus niet tot homologatie worden overgegaan.
Het stemverslag moet concreet en controleerbaar zijn en bevat:
De schuldenaar dient er vervolgens voor te zorgen dat stemgerechtigde crediteuren kennis kunnen nemen van het stemverslag, zodat zij de uitkomst kunnen verifiëren. In de praktijk zal dit moment vaak door crediteuren worden aangegrepen om voor zichzelf uit te maken of en in hoeverre het zinvol is om zich tegen homologatie te verzetten.
Ingeval er inderdaad een verzoek tot homologatie wordt gedaan, dient het stemverslag gedeponeerd te worden ter griffie van de betreffende rechtbank. Daar ligt het stemverslag kostenloos ter inzage voor stemgerechtigden.
Termijn
De homologatiezitting zal binnen acht tot veertien dagen na depot van het stemverslag plaatsvinden.
Een onjuist of onvolledig stemverslag kan leiden tot:
Aangezien het (niet) voldoen aan de voorschriften, waaronder het opstellen van het stemverslag conform de regels, een ambtshalve afwijzingsgrond is die de rechtbank uit eigen beweging toetst bij een verzoek tot homologatie, is dit een cruciaal moment en document voor de uitkomst van het aangeboden akkoord.
Bij Marxman weten we als geen ander hoe nauw een en ander luistert en zorgen wij ervoor dat telkens aan alle formaliteiten en termijnen wordt voldaan.
Waardering vormt een kernonderdeel van elke herstructurering en zo ook van een WHOA-traject. De liquidatiewaarde, reorganisatiewaarde en ondernemingswaarde spelen een rol bij de beoordeling van een aan te bieden akkoord en daarmee ook de mogelijke uitkomst.
Het taxatierapport speelt met name een cruciale rol in de vergelijking met een faillissementsscenario. Immers mogen crediteuren met een akkoord niet slechter af zijn dan ingeval van faillissement (‘best interest test’). Bovendien zal een crediteur over het algemeen eerder bereid zijn met een akkoord in te stemmen als hij het alternatief kent en dit minder aantrekkelijk is.
Niet alleen de inhoud van het taxatierapport is cruciaal, maar ook het moment waarop het wordt opgesteld én het gedeeld wordt met crediteuren.
Ten eerste zal het rapport zoveel als mogelijk het moment van de peildatum moeten benaderen, zodat het een meest getrouw beeld geeft van de feitelijke en juridische situatie op dat moment, zodat de positie van crediteuren eveneens per dat moment in beeld gebracht kunnen worden. Dit voorkomt – zo veel als mogelijk – dat er spreekwoordelijke appels met peren worden vergelijken als er een beoordeling wordt gemaakt van en een afweging tussen het akkoord en een alternatief scenario.
Ten tweede geldt dat een taxatierapport:
Wordt de waardering pas later in het traject — of zelfs pas bij homologatie — gepresenteerd, dan vergroot dat de kans op discussie, vertraging en afwijzing. Niet alleen de crediteuren, maar ook de rechtbank zal kritisch kijken naar actualiteit, inhoud en het (tijdig) delen van het rapport. Het niet (tijdig) overleggen van een relevante taxatie, kan immers ook wegens gebrek aan informatie en/of transparantie een homologatie van het akkoord in de weg staan.
Het belang aan actualiteit kan overigens ook met zich meebrengen dat een uitgevoerde taxatie richting homologatie een update behoeft om voldoende actueel te zijn ten tijde van de rechterlijke beoordeling.
Een taxatierapport is geen formaliteit, maar een strategisch document. De gekozen waarderingsmethode, uitgangspunten aannames en peildatum moeten aansluiten bij het doel van het akkoord én het stadium van het traject. Dat vraagt om afstemming tussen juridisch en financieel advies, maar verlangt ook dat de ondernemer zelf in vroeg stadium actuele en volledige informatie aanlevert. Onze ervaring is dat door samenwerking tussen ondernemer, haar adviseurs en de taxateur, laatstgenoemde snel aan de slag kan en een deugdelijk rapport kan opstellen. Zodra dit in haar volle omvang beschikbaar is, bij voorkeur met waarschijnlijkheidsscenario’s, kunnen deze uitkomsten ook worden gebruikt ter onderbouwing van het akkoord en richting crediteuren om inzage en inzicht te bieden.
Team H&I heeft korte lijnen met taxateurs. Daardoor kunnen we snel contact leggen en in overleg en afstemming komen tot een tijdige taxatierapportage, welke geschikt is om te gebruiken tijdens het traject. Uit praktijkervaring weten wij welke betekenis dit document toekomt en kunnen daarom samen met de ondernemer en multidisciplinair partner(s) timen.
Wilt u weten welke taxatie in een WHOA-traject nodig is en wanneer deze het beste kan worden ingebracht? Neem vrijblijvend contact op met Marxman.